| 1. Op dit voor wie toch weer om te dopen gezicht het masker Van haar eigen schoonheid de minst nachtelijke maakster 2. Wit nog is de rand van een tafereel met vrouwen, die hun naaktheid lang niet opdoeken. Van het wit kan gezegd: zo geleidelijk als de stok van een blinde. Uit de rand kan gelicht: een afzwakking naar het doodgezwegen mom. Wit verhaalt de rand waarop figuren kunnen intreden, zodat de rand in zijn witst zijn wordt belaagd - met verzinsels dat men wegwissend geen vrouw uitzit of graag het wit minder wit opgeplakt krijgt. Doch het wit laat zich uitsluitend opdringen aan een doodskop, die gevoelens kan bestrijken en plots je ogen opslorpt om zelf te kunnen kijken. 3. Kan ik eens op de dagen tussen haar dood en het optrekken van haar graf in zijn plaats denken aan een naakte kuil in de maneschijn. 4. De intrede borrelt op van een gelaarsde kustwachter die zich niet inlaat met verkleding en zomerse pret ontdaan voorbij wandelt aan de hand van zijn eigen skelet het ronde strandvlees opnaait en diep onder het zand zet. 5. Schildert hij nu eerst de hoofden en dan de vervaarlijke maskers eroverheen, of hangen die maskers daar al op te drogen vooraleer de hoofden er worden ingezet. Nee, hij scheurt gewoon, als een lijkwade uit karamel, de maskers van de koppen, kijkt ze af, brengt ze aan, om schamel tussen de benen verminking te verbergen. 6. Kijk eens heel diep: of Ensor bij zoveel klank uit een lekkende piano niet danste op de achterkant van zijn doeken. |